
Halbe Zijlstra, staatssecretaris OCW
Er zijn voldoende redenen om op deze plaats eens aandacht aan het onderwijs te geven. De verbeteringsvoorstellen, de bezuinigingen, de onderzoeken over de kwaliteit, de aloude stokpaardjes ,de hervormingen en niet te vergeten de schandalen buitelen de laatste tijd over elkaar heen. En bestuurders en politici nemen de kans waar hun hobby’s te realiseren. Het ooit zo gewaardeerde Nederlandse onderwijssysteem, mondiaal geprezen, schrompelt in elkaar.
Natuurlijk hoeft men het niet eens te zijn met de in de aanhef geconstateerde achteruitgang van de kwaliteit van ons Nederlandse onderwijs (en ik heb zo hier en daar wel eens een artikel gelezen waarin die achteruitgang wordt betwist), maar ik durf te stellen dat deze auteurs of niet volledig op de hoogte zijn of andere oogmerken hebben dan de kwaliteit van het onderwijs. Ik realiseer mij dat dit nogal bot en arrogant klinkt, maar soms moet je duidelijk zijn, zeker als je weet waar het over gaat.
Mijn basis om, met enige kennis van zaken (en zonder vooroordeel hoop ik), een mening te hebben over de kwaliteit van (in ieder geval een belangrijk deel van) ons Nederlandse onderwijs, is gebaseerd op jarenlange ervaring. Zowel met het onderwijs op het basisonderwijs als in de bètavakken aan het middelbaar onderwijs (havo), voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en hoger onderwijs. Het gaat daarbij zowel om het geven van onderwijs als het lijden onder de resultaten daarvan, bijvoorbeeld in de vervolgopleidingen en de praktijk.
Na dit verbale spierballenvertoon kunnen wij ter zake komen. Voor een uitvoerig betoog over het een en ander is het format van een weblog niet zo geschikt. Ik wil mij dus beperken tot een aantal volgens mij sprekende voorbeelden. Wel wil ik hier graag, om te beginnen, verwijzen naar een tweetal bijdragen in dagblad Trouw van de laatste tijd. De ene van de hand van Nelleke Noordervliet , schrijfster en vaste columniste van Trouw onder de titel “Onderwijs is kapot geëgaliseerd” (Trouw 11 juni) en de tweede van Hanne Obbink, onder de titel: ”Onderwijs mythes doorgeprikt” (Trouw 21 juni). Beiden vertegenwoordigen in zekere zin uitersten, zoals uit de titels ook al blijkt, maar ik kan mij heel wel vinden in de “filippica” die Nelleke Noordervliet uitbraakt in haar bijdrage. Ik kan het niet nalaten om u in de stemming te brengen en de toon te zetten van deze weblog door enkele pakkende passages te parafraseren/citeren:
“Het Nederlandse onderwijs levert dus een grote grauwe middelmaat af. Docenten zijn middelmatig, leerlingen presteren middelmatig. Het mocht ook wat kosten:het bedrag dat naar onderwijs gaat is verveelvoudigd Een geringe prijs voor een egalitair ideaal……… Het heeft wel enige vaardigheid en inventiviteit geëist zo ver te komen. HBO-diploma’s werden weggegeven, stapelen van opleidingen tegengegaan. Het nivo van het eindexamen moest stelselmatig omlaag worden geschroefd. Coulant berekend schoolonderzoek haalde het cijfer op………
.Zij-instromers hoefden geen bevoegdheid te hebben. De leraar raakte uit het zicht in een verstikkende deken van onderwijsondersteunende instellingen, managementcursussen, begeleidingsdiensten, fusiecoördinatoren en andere flauwekul………
Om dat fantastische resultaat te bereiken werd de afgelopen decennia ook flink gewerkt aan het ambitieniveau van de jeugd. Met minimale inspanning een zesje halen was het hoogste doel………Ook is zwaar ingezet op demotivatie van docenten en aanpassing van hun kennisniveau. Pabo- studenten konden de tafel van acht niet meer opzeggen; bij het spellen van werkwoordsvormen plakten ze willekeurig een d of dt achter de stam. Het effect was grandioos. Basisschoolleerlingen werden massaal van de Cito-toets uitgesloten omdat ze die toch niet zouden halen………..”
En dit is nog maar een fractie van haar column!
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat In het tweede genoemde artikel van Hanne Obbink een dappere poging wordt gedaan om 4 van de hardnekkigste mythes (waar hierboven vrolijk in wordt gegrasduind!) door te prikken, een en ander te nuanceren en alternatieve redenen aan te dragen voor geconstateerd falen. Uitvoerig, maar naar mijn mening niet overal even overtuigend.
Hoe dan ook, ik wilde daarnaast, uit mijn eigen ervaring, gedreven door opgekropte teleurstelling en verontwaardiging, aandacht vragen voor tot dusver wat onderbelichte aspecten, die wat mij betreft in de discussie over de kwaliteit van ons onderwijs moeten worden betrokken.
Onderwijs veranderen kost tijd
Een van de meest opvallende verschijnselen bij het invoeren van nieuwe experimenten in het onderwijs is dat men regelmatig nieuwe experimenten start voordat het vorige experiment is geanalyseerd. Sterker nog, het is niet uitgesloten dat het systeem al weer veranderd wordt zelfs voordat het geheel 1 keer volledig is uitgevoerd. Bedenk wel, het beoordelen van de effecten van een leersysteem/studieprogramma of methode duurt van nature minimaal de duur van de opleiding en dat is al gauw enige jaren. Voor je met zekerheid iets over een verandering in de leermethode en de bereikte doelen kunt zeggen moet je dat toch wel voor meerdere studenten populaties nagaan. Deze simpele regel wordt in het moderne geknutsel aan het onderwijs bijna standaard overtreden. Voor de ene herstructurering van het programma is voltooid is de volgende al onderweg. Zo kan ik mij uit eigen ervaring herinneren dat er op de universiteit voor dezelfde opleiding als natuurkundig ingenieur 4 studieprogramma’s tegelijkertijd in werking waren!!! Een extreem geval van falend beleid, dat wel, maar zeker niet uitzonderlijk!. Het effect van de onderwijshervorming is kennelijk van ondergeschikt belang en lijkt soms een speelbal van kortlopende politieke (publicitaire?) belangen,
Kwaliteit van onderwijs begint bij basis
Het is een waarheid als een koe, de kwaliteit van het onderwijssysteem begint bij het basisonderwijs. En die kwaliteit wordt in belangrijke mate bepaald door de” kwaliteit”, oftewel het nivo van kennis en kunde van de onderwijzer(es). Daarover valt veel te zeggen. Er heeft in de 80-er en 90-er jaren een vermenging van kleuterkweek en kweekschool plaats gevonden, de (instroom)eisen van de Pabo,s zijn versoepeld, de basisscholen zijn vervrouwelijkt en er is een toenemende (politiek gemotiveerde) regel- en bemoeizucht van de overheid welke de scholen heeft opgezadeld met vele (ad hoc) maatschappelijke taken die de aandacht heeft afgeleid van de primaire leerdoelen (waaronder taal en rekenen).
Voor mij is niet precies duidelijk hoe de diverse hierboven genoemde factoren elkaar beïnvloeden maar het resultaat is dat de kwaliteit van het basisonderwijs lijkt te zijn gedaald, de bemensing van het basisonderwijsveld in korte tijd een dramatische wijziging heeft ondergaan en de kinderen werden/worden blootgesteld aan een variëteit van maatschappelijk gewenste experimenten zonder duidelijk zicht op resultaten.
Bij de afscheidssessies (de fameuze “musicals” waar in groep 8 maanden van kostbare schooltijd aan wordt besteed) van twee van mijn 12 jarige kleinkinderen in Ouderkerk a.d. Amstel en in Almere was het overduidelijk: een (1) op de tien(10) onderwijzers is man, de rest is vrouw. Wat is er in vredesnaam gebeurd de laatste 20 jaar? Is dit bewust gestuurd? En zo niet, waarom is dit dan zo ontstaan? En welke betekenis heeft dat in termen van kwaliteit? En is dat wenselijk? Ergens bekruipt mij het gevoel dat hier iets volledig uit de hand is gelopen, onbedoeld en ongestuurd, maar wel met grote gevolgen.
“Schokkende” ervaringen
Het is niet moeilijk om een aantal opvallende ervaringen te verzamelen die een aanduiding geven van de huidige kwaliteit van de onderwijsgevenden. Hierbij doel ik op de “vakkennis” van de basisstof die men verondersteld wordt aan de kinderen mee te geven. Simpel taal en rekenen dus, om te beginnen. Ik wil nadrukkelijk geen twijfel zaaien over de inzet en bevlogenheid van de lesgevenden. Die staan voor mij vast en zijn boven alle twijfel verheven.
Het gaat om het kennisniveau, of liever het soms opvallend gebrek daaraan.
Ik denk niet dat ik hier behoef uit te wijden over de briefjes van de leerkrachten die de kinderen mee naar huis nemen waarin niet zelden genante spelfouten voorkomen. Maar ook op het gebied van de tweede pijler van de basiskennis, het rekenen, zijn er “schokkende” ervaringen te melden. Zo kwam ik er, tot mijn stomme verbazing, pas geleden achter dat het begrip “procenten”, een gewoon onderdeel van de Cito toets, voor een aantal lesgevenden nog behoorlijk wat geheimen heeft. Het is natuurlijk niet erg bevorderlijk voor de kennisoverdracht als de lesgevende niet mijlenver boven de stof staat en op vele manieren kan uitleggen!
Een laatste “schokkend” voorbeeld is de melding in de kranten van een paar dagen geleden (20 juli 2011) dat slechts 42 procent van de onderwijsassistenten op Amsterdamse basisscholen een voldoende haalt voor begrijpend lezen! Dat wil dus zeggen dat vooral de assistenten die ingehuurd waren om de leerkrachten te ondersteunen, die steun wat taal betreft zelf het meeste nodig hebben!
Leidse Universiteit trekt foute conclusies
In een van mijn kranten vond ik een paar dagen geleden een protest tegen het plan van onderwijs staatssecretaris Halbe Zijlstra om selectie aan de poort van de universiteit toe te gaan passen. Ik wil even afzien van de merites van dit concrete plan maar mij concentreren op de reactie van de Leidse Universiteit. Het protest van de Leidse Universiteit ging onder de kop: ”Cijferlijst zegt niets over student in spe”, en dat was ook de inhoud van hun bezwaar tegen selectie op basis van VWO cijfers. Dit nu is lariekoek en dat kan ik bewijzen.
De relatie tussen eindcijfers op het VWO en de cijfers in het eerste jaar aan de Universiteit zijn aan de Faculteit Technische Natuurkunde van de Technische Universiteit Eindhoven gedurende vele jaren bijgehouden.Zij werden Nijgh diagrammen genoemd ter ere van dr Nijgh die de gegevens verzamelde en analyseerde, Uit deze zorgvuldige en uitputtende analyses van een populatie van ~ 1000 eerstejaars studenten Technische Natuurkunde, is een punt wel duidelijk: er is een zeer duidelijke relatie tussen de cijfers voor exacte vakken op de vwo eindexamen lijst en de behaalde resultaten voor de natuurkunde- en wiskunde vakken in het eerste universitaire jaar! In gemiddelde termen gesproken geeft deze relatie aan dat de cijfers voor de natuurkunde- en wiskunde vakken op de universiteit gemiddeld 2 punten lager zijn dan op het VWO. In andere woorden, met een 7 of lager voor wis- en natuurkunde is de kans om de studie Technische Natuurkunde op de universiteit succesvol af te ronden klein tot verwaarloosbaar is. Voor eindcijfers 9 en 10 op het VWO is de kans zeer groot tot “onvermijdelijk” dat men het diploma aan de Universiteit behaalt! Er is dus geen sprake van de claim: “Cijferlijst zegt niets over student in spe”, zoals de Leidse Universiteit beweert. Integendeel,de vwo cijferlijst geeft een duidelijke indicatie van de slagingskansen in het eerste universiteitsjaar.
Alweer een geval van “ruis op de lijn” van de communicatie. Stellige beweringen op basis van meningen en niet van feiten, op grond waarvan ongetwijfeld wel weer een minister of staatssecretaris is te overtuigen omdat het aansluit bij zijn “opvattingen” of maatschappijvisie.
Niet alles is kommer en kwel
Als afsluiting van deze weblog kies ik toch voor een positief einde. Niet alles is kommer en kwel. Veel van de initiatieven vinden hun oorsprong in de bezetenheid het beter te doen ten behoeve van de jeugd en de toekomstige generaties. Het onderwijs is dus van nature in beweging, maar een beweging over generaties en niet van de ene dag op de andere (of van het ene kabinet op de andere). Wat dat betreft is er voor het onderwijs nog veel te leren!
29 juli 2011